Spraak en Taal

Spraak en Taal 2020-02-10T13:30:13+00:00

Taalontwikkeling

Kinderen en volwassenen gebruiken meestal gesproken taal om met elkaar te communiceren. Zolang dit vanzelf gaat vinden we dit “vanzelfsprekend”.

Als spreker moet je begrijpen wat de ander zegt en de juiste woorden en zinnen gebruiken zodat de ander jou kan begrijpen.

Wanneer er moeilijkheden zijn en de “vanzelfsprekendheid” er nog niet of niet meer is kan dit meerdere oorzaken hebben.

Soms verloopt de taalontwikkeling vertraagd en spreekt een kind minder of minder duidelijk dan zijn leeftijdsgenoten, of lijkt het niet alles te begrijpen als er iets wordt gezegd
Wij, logopedisten zullen aan de hand van taaltesten uitzoeken of dit komt door bijvoorbeeld een vertraagde taalontwikkeling, een taalontwikkelingsstoornis, een dysfatische ontwikkeling of meertaligheid.

In de therapie wordt spelenderwijs behandeld, waarbij wordt aangesloten bij de belevingswereld en het niveau van het kind. Ouders krijgen daarbij gerichte adviezen om thuis de taalontwikkeling nog beter te kunnen stimuleren.

Signalen waarop je kunt letten in de taalontwikkeling:

  • uw kind spreekt later dan zijn broertjes/zusjes of leeftijdsgenoten
  • uw kind spreekt nog niet in korte zinnetjes van 2 of meer woorden als hij 2 jaar is.
  • uw kind spreekt in korte onduidelijke zinnen en mensen in de omgeving begrijpen hem niet altijd goed.
  • uw kind begrijpt korte opdrachten niet altijd, of mist een van de onderdelen uit een dubbele opdracht.

Maakt u zich zorgen over de taalontwikkeling van uw kind, dan kunt u HIER KLIKKEN voor de SNEL-test, of neem contact met ons op voor advies.

Klik hierachter om meer te lezen over de taalontwikkeling,  meertaligheid, taalontwikkelingsstoornissen (TOS)

Dysfatische ontwikkeling

Wij behandelen jongere en oudere kinderen met een dysfatische ontwikkeling.
Bij oudere kinderen spreken we liever van de “restverschijnselen” van een dysfatische ontwikkeling omdat de taalontwikkeling na het zevende levensjaar in principe is afgerond.
Bij jongere kinderen zien we vaak kinderen die niet of nauwelijks spreken kinderen die moeite hebben met rijmpjes en versjes onthouden, soms ook kinderen die “onhandig” zijn, veel vallen of veel omgooien bijvoorbeeld.
Bij de jongere en  vooral bij oudere kinderen zien we dat ze moeite hebben om deel te nemen aan het kringgesprek (op-commando situatie), ze lijken verlegen en zeggen niet veel. Als ze uit zichzelf, spontaan een verhaal beginnen te vertellen, kan er een stroom aan woorden uit komen. Soms begrijpen we het dan niet goed omdat deze kinderen vaak van de hak op de tak springen. Een verhaal vertellen kost dus moeite. Soms redt een kind het heel lang op eigen kracht. Bij kinderen met een dysfatische ontwikkeling lukt vaak het automatiseren onvoldoende: tafels leren, spellingsregels eigen maken, topografie leren. Zo komen er leerproblemen naar boven die veroorzaakt worden door de dysfatische ontwikkeling.

De behandeling richt zich op het kind en de omgeving. We gebruiken onder andere de Tan Söderbergh methode. Hierbij wordt het kind als uitgangspunt genomen om verhalen te maken. Een verhaal dat het kind vertelt wordt uitgetekend en er worden korte zinnen bij geschreven. Dit helpt het kind om het verhaal weer na te kunnen vertellen op een spontane manier zodat de op-commando situatie wordt vermeden. Bovendien is het een onderwerp dat het kind zelf aandraagt, hierdoor is er sprake van een “emotionele binding” met het verhaal (het “affect” genoemd). Een onderdeel van dit programma is het globale lezen; dit heeft niet als doel om het kind te laten lezen maar is een middel om de verhalen na te vertellen. Kaartjes met woorden uit het verhaal kunnen gebruikt worden op spelletjes mee te doen (b.v. memory) en de kaartjes roepen bij het kind het verhaal op. Het “affect” (gevoel, emotie) is daarbij belangrijk. Het affect laat de taal beter verlopen (zetelt in de rechterhemisfeer) dan als de meer analytische taal gebruikt wordt (zetelt in de linker hemisfeer). Deze wordt meer gebruikt bij het analyseren en beargumenteren van zaken (in de op-commando situaties).

Spraakontwikkeling

Door veel naar hun ouders en anderen uit de directe omgeving te luisteren, leren kinderen de klanken van hun moedertaal. Kleine kinderen leren door eindeloos imiteren de klanken meestal vanzelf. Zij doen dit door hun mond, hun tong en lippen te bewegen leren kinderen de klanken stapje voor stapje zelf uit te spreken. Als een kind bepaalde klanken of klankcombinaties ook op latere leeftijd niet uit kan spreken, wordt hij daardoor minder goed verstaan. Soms kunnen kinderen en hun omgeving hierdoor flinke frustratie opbouwen.

In de therapie gaan we spelenderwijs aan de slag met het oefenen van de klanken die een kind nog niet kan. Wij gebruiken hiervoor verschillende methoden. ( PROMPT, Metafon, Hudson en Paden, Dyspraxieprogramma, soms ondersteund met Sensorische en of Reflex Integratie, aspecten uit de OMFT)

Soms wordt huiswerk meegegeven in de vorm van spelletjes die thuis gespeeld kunnen worden. Daarbij is het heel belangrijk om de frustratie niet verder op te bouwen. De aandacht ligt dan ook vooral op het verlagen van de spreekdruk en het creëren van een veilige omgeving waarin fouten gemaakt mogen worden.

KLIK HIER voor meer informatie over spraakontwikkelingsstoornissen

Verbale dyspraxie

Een verbale dyspraxie kan zowel bij kinderen als bij volwassenen voorkomen en heeft een neurologische oorzaak. Het kan een stoornis zijn die bij de geboorte al aanwezig is, maar het kan ook ontstaan door een neurologische ziekte of door hersenletsel.
Er zijn kinderen die helemaal niet, of heel weinig spreken omdat ze niet weten hóe ze dit moeten doen. Of ze spreken wel maar zijn heel slecht te verstaan. Ze begrijpen wel wat er tegen ze gezegd wordt, maar ze kunnen de spieren niet goed aansturen om het zelf ook te doen. Dit wordt een verbale ontwikkelingsdyspraxie genoemd. Er is geen probleem met de spieren zelf, maar het kind kan ze niet coördineren om ze goed samen te laten werken om te komen tot spraak.
Het kind kan ook op andere gebieden dyspractisch zijn, zoals moeite hebben met eten en/of drinken, met aankleden, of met schrijven. Soms zijn deze kinderen over het geheel onhandig. Het kan echter ook alleen binnen de spraak voorkomen. Het kind heeft dan problemen met het plannen, coördineren en uitvoeren van de bewegingen die nodig zijn voor het spreken.
Door deze stoornis zijn de klanken soms onherkenbaar of ze komen in het woord op de verkeerde plaats terecht. Het komt voor dat de klank wel in het ene woord maar niet in het andere gemaakt kan worden. Het kan zelfs zo zijn dat een klank of woord nu niet uitgesproken kan worden, terwijl het op een ander moment wel lukt. Ook zien we mensen soms echt ‘zoeken’ naar de juiste bewegingen.
Het niet of slecht spreken leidt tot problemen in de communicatie. Men kan namelijk niet of nauwelijks duidelijk maken wat men wil en wordt daarom soms niet begrepen door zijn omgeving. Als het spraakprobleem op zich staat, en de persoon verder een goed taalvermogen heeft, is het bijzonder frustrerend om van alles te willen zeggen, mee te willen doen aan de communicatie, maar dit niet te kunnen. Dit is het eerste waar de omgeving zich van bewust moet zijn. Kinderen en maar ook volwassenen met deze problemen hebben altijd hulp nodig, want het gaat om een stoornis die zich niet vanzelf herstelt. Bij kinderen moeten we ons ook altijd realiseren dat deze kinderen mogelijk een andere ontwikkeling en ontwikkelingsvolgorde in hun spraak doorlopen dan andere kinderen. Daarom heeft het geen zin kinderen met elkaar te vergelijken. Ieder kind moet weer opnieuw gezien worden als een individu met een eigen ontwikkeling en eigen mogelijkheden.

De belangrijkste kenmerken van een verbale dyspraxie zijn
• Moeite met het vormen en consequent toepassen van spraakbewegingen.
• Vervormingen van klinkers.
• Het aantal medeklinkers en klinkers dat men kan zeggen is beperkt.
• Spreken in eenvoudige lettergrepen.
• Klanken wel in een eenvoudige context kunnen zeggen (enkelvoudige lettergreep bijvoorbeeld), maar niet in een complexere (meerlettergrepig woord of zinnetje).

Onderzoek en therapie
De spraak van u of uw kind zal worden onderzocht en er wordt bepaald of er sprake is van een verbale (ontwikkelings)dyspraxie. Soms zien we een combinatie van factoren die leiden tot meerdere diagnoses. Afhankelijk van de aard van het probleem, zullen er een behandelplan worden opgesteld zodat u of uw kind leert de spraakbewegingen beter aan te sturen. Een van de methodes die daarvoor gebruikt wordt is PROMPT (Prompts for Restructuring Oral Motor Targets). Dit is een tactiel-kinesthetische manier om spraakbewegingen te ondersteunen. Hierbij laten we met onze handen voelen welke bewegingen de kaak, de lip- en gezichtsspieren en de tongspieren moeten maken om woorden te vormen. Dit geeft veel extra informatie want hiermee kunnen klanken en spraakbewegingen, naast het horen en zien, ook gevoeld worden.
De duur en resultaten van de logopedische therapie zijn afhankelijk van het type en de ernst van de spraakproblemen en van het tijdstip waarop de therapie begonnen is. De therapie kan al op zeer jonge leeftijd (twee á drie jaar) starten.

Afasie en dysartrie

Afasie is een taalstoornis en dysartrie een spraakstoornis. Beide kunnen door schade in de hersenen ontstaan.
Vaak wordt die schade veroorzaakt door bijvoorbeeld een CVA, maar een spierziekte, een hersentumor of een ongeluk kunnen ook oorzaken zijn. Meestal komen afasie en dysartrie voor bij volwassenen, maar het kan ook bij kinderen voorkomen.

Door afasie kunnen mensen moeite ervaren met begrijpen van taal, schrijven, lezen en spreken. Vaak zeggen mensen met afasie iets anders dan ze bedoelen, of zijn moeilijk te remmen in hun verhaal.
In het geval van dysartrie werken de spieren niet mee met wat de patiënt bedoelt. Hierdoor spreekt hij minder hard, nasaal of onduidelijk waardoor hij minder goed of niet te verstaan voor zijn omgeving.

Als logopedist kijken we naar wat de mogelijkheden zijn, en stemmen onze behandelingen af op de individuele vraag van de patiënt. De omgeving wordt altijd betrokken bij de therapie. We kijken hoe de communicatie met de omgeving verloopt en geven gerichte adviezen om deze te optimaliseren. Soms is het daarbij fijn om ondersteunende communicatie in te zetten om de gesprekken meer richting te geven.